VOETBAL EN STRAFRECHT: DE SLIDING TACKLE

De Nederlandse voetbalwereld is deze week niet alleen opgeschrikt door de prestaties van het Nederlands elftal. Ook het gerechtshof Den Haag deed een duit in het zakje in een uitspraak van 21 juli jl., die deze week bekend werd[1]. In de media werd gesproken over een “vuile sliding” (AD) of een “onbesuisde sliding” en tevens kwamen de mogelijke gevolgen van de veroordeling voor het voetbal aan de orde, met vrees voor angstig voetbal in de toekomst (RTL Nieuws).

Dat voetballers strafrechtelijk vervolgd kunnen worden als zij zeer zware c.q. extreme overtredingen maken, was al langer bekend. Maar was daarvan hier nu sprake. De vrees voor angstig voetbal in de toekomst doet vermoeden dat hier eigenlijk geen sprake van een bijzondere overtreding was. Wat is er derhalve gebeurd. Uit de uitspraak blijkt het volgende.

Op 30 november 2014 vond een wedstrijd plaats in Schoonhoven. Op enig moment in de tweede helft renden twee spelers achter de bal aan, de verdachte schuin achter zijn tegenstander, de uiteindelijk benadeelde. De verdachte voerde een “sliding tackle” uit en raakte daarbij zijn tegenstander. Het gevolg was een dubbele beenbreuk en een scheurtje in het enkelgewricht. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis, als de taakstraf niet (behoorlijk) zou worden uitgevoerd. In hoger beroep werd dat 100 uur, resp. 50 dagen. Voorts werd de verdachte veroordeeld tot betaling van een forse schadevergoeding aan de benadeelde partij, namelijk € 8.867,41 waarvan € 7.500,– als vergoeding voor immateriële schade (smartengeld).

De zaak doet denken aan de overtreding van oud-Spartaspeler Rachid Bouaouzan op Niels Koksmeijer van Go Ahead Eagles in 2004. Koksmeijer werd door Bouaouzan hard onderuit gehaald, en liep een dubbele beenbreuk op. Daaraan werd hij vijf keer geopereerd, maar hij keerde niet meer terug op de velden. Een lange revalidatie was het gevolg. Volgens Bouaouzan was er sprake van een harde sliding, maar hij werd in hoger beroep veroordeeld tot een voorwaarde celstraf van 6 maanden veroordeeld. Dit arrest werd door de Hoge Raad bevestigd. Toch zijn er wel wezenlijke verschillen met de kwestie in Schoonhoven. De overtreding van Bouaouzan werd als een “flagrante” overtreding van de regels beoordeeld (overweging Hof, kenbaar in HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7087). Dat was in Schoonhoven niet het geval: het hof nam aan dat het de bedoeling van de verdachte was om de bal te spelen. Er lijkt dus geen sprake te zijn geweest van een zeer zware c.q. extreme overtreding.

In de kwestie van het hof Den Haag was aan de verdachte primair het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ten laste gelegd (art. 302 lid 1 Sr), subsidiair mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge (art. 300 lid 2 Sr) en meer subsidiair zwaar lichamelijk letsel door schuld (art. 308 Sr). Er volgde vrijspraak voor de primaire tenlastelegging, maar een veroordeling voor de subsidiaire. De meer subsidiaire tenlastelegging is niet meer aan de orde gekomen.

Het wezenlijke verschil tussen de primaire tenlastelegging en de subsidiaire, is dat primair de opzet van de verdachte gericht is op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Bij de subsidiaire tenlastelegging is de opzet gericht op mishandeling, en is het zwaar lichamelijk letsel het gevolg (en dus strafverzwarend ten opzichte van een “eenvoudige” mishandeling).

De ten laste gelegde delicten zijn zogenaamde “opzetdelicten”. De dader moet de opzet hebben gehad een bepaald gevolg – primair zwaar lichamelijk letsel en subsidiair mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg – te veroorzaken. Nu kan het ook zo zijn dat de dader die opzet niet had, maar dat iemand zich willens en wetens blootstelt aan de aanmerkelijke kans, dat het gevolg – het letsel – intreedt. Dat noemt men voorwaardelijk opzet.

Het hof heeft vastgesteld, dat er geen sprake was van opzet. Dat houdt dus in, dat de veroordeling uiteindelijk op voorwaardelijk opzet is gebaseerd.

Van de primaire tenlastelegging is de verdachte vrijgesproken. Het hof was van oordeel dat er geen opzet of voorwaardelijk opzet was. Het hof overwoog dat een sliding tackle weliswaar een gevaarlijke actie is, maar dat niet gesteld kan worden dat de kans op zwaar lichamelijk letsel in zo’n situatie aanmerkelijk is.

Anders ging het met de subsidiaire tenlastelegging. Daarvan vond het hof, dat de kans dat de benadeelde geraakt zou worden, ten val zou komen en daardoor pijn of letsel zou oplopen, wel aanmerkelijk. Bij het maken van een sliding tackle neemt de speler bewust het risico dat hij zijn tegenstander raakt en/of ten val brengt. Daarbij speelde naar het oordeel van het hof een rol, dat voor een sliding tackle altijd ruimte nodige is; als deze tackle van te dichtbij wordt ingezet, valt de aangevallen speler vrijwel zeker over het (uitgestoken) veen van zijn tegenstander. Voorts is het naar het oordeel van het hof een feit van algemene bekendheid dat het aantal blessures ten gevolge van sliding tackles groot is.

Dat de benadeelde zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen is wel duidelijk. Maar de vraag ligt vooral voor of er sprake is van mishandeling en de tweede vraag is dan welke rol de sport- en spelsituatie hier speelt.

Mishandeling is volgens de Hoge Raad het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat[2]. Uiteraard is voor mishandeling nodig dat het opzet gericht is geweest op het toebrengen van pijn of letsel. Bij betrekkelijk lichte fysieke krachtsuitoefeningen, die naar uiterlijke verschijningsvorm niet op het toebrengen van pijn of letsel behoeven te zijn gericht, kan het bewijs voor opzet wel eens onvoldoende zijn[3].

In dit geval zal de tackle zijn ingezet om de bal te veroveren, en niet om pijn of letsel toe te brengen aan de tegenstander. Dat heeft het hof ook als uitgangspunt aangenomen. Het hof heeft hier voorwaardelijk opzet aangenomen omdat bij het maken van een sliding tackle de speler bewust het risico neemt dat de tegenstander wordt geraakt en/of ten val wordt gebracht, en dat is eens temeer het geval als de sliding tackle van te dichtbij wordt ingezet. Voorts is het naar het oordeel van het hof een feit van algemene bekendheid dat het aantal blessures ten gevolge van sliding tackles groot is.

In de kwestie rond Bouaouzan overwoog de Hoge Raad:

“De deelnemers van een sport, zoals voetbal, hebben immers tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over en weer van elkaar te verwachten, terwijl bij een door duidelijke spelregels afgebakende sport die spelregels mede van belang zijn voor het bepalen van de grenzen van wederrechtelijkheid.” (HR 22 april 2008, NJ 2008/375, m.nt. N. Keijzer, r.o. 4.5.)

Uit de uitspraak blijkt niet op welk moment de sliding werd ingezet, en of dit – zoals het hof suggereert – op een zodanig moment was, dat de tegenstander dan vrijwel altijd over het uitgestoken been moet vallen. Was het ook niet zo dat de benadeelde zich op de mogelijke sliding had kunnen en moeten instellen? Wat mag een speler van zijn tegenstander verwachten?

Uit de uitspraak blijkt niet dat er sprake was van een “onbesuisde” of “vuile” sliding. Zo blijkt bijvoorbeeld niet dat de sliding met een te hoog been is ingezet, waardoor niet op de bal, maar op de man werd gespeeld. Integendeel: het hof neemt aan dat op de bal werd gespeeld. Er is ook niet gebleken van een ontijdig ingezette sliding: het hof heeft niet overwogen, dat bij het inzetten van de sliding de bal al niet meer bereikbaar was. Waar niet blijkt van het tegendeel, moet dus worden aangenomen, dat hier sprake is van een correct ingezette sliding, met het oogmerk de bal te spelen.

Tegen deze achtergrond lijkt het oordeel van het hof onjuist: een sliding als zodanig is een volkomen geaccepteerd onderdeel van het voetbal, en uit de overwegingen van het hof blijkt niet dat de verdachte iets buiten de aanvaardbare grenzen van het spel heeft gedaan. Het lijkt er meer op, dat het hof zich afzet tegen de sliding “an sich” en niet tegen de specifieke uitvoering daarvan door deze speler. Dat is naar mijn mening onvoldoende om mishandeling aan te nemen.

Hiervoor werd de vraag naar de sport- en spelsituatie aan de orde gesteld. Dat heeft betrekking op de wederrechtelijkheid. Niet alles wat gevaarlijk is leidt tot een strafrechtelijke aansprakelijkheid. ‘It’s all in the game’, zo wordt ook wel gesteld. Door de vrijwillige deelname aan bijvoorbeeld een voetbalwedstrijd, wordt geaccepteerd dat zich bepaalde risico’s kunnen materialiseren als gevolg van gedrag dat nog valt binnen de sfeer van datgene dat geoorloofd is[4]. Ook in dit verband kan worden gewezen op de hiervoor geciteerde overweging van de Hoge Raad in het arrest van 2008. Als er sprake is van een ernstige schending van een spelregel en gevaarlijk handelen zal er geen sprake zijn van het ontbreken van wederrechtelijkheid en kan strafrechtelijke aansprakelijkheid worden aangenomen. Dat oordeel is sterk met de feiten verweven.

Dat lijkt in dit geval de kern te zijn van het arrest van het hof: niet is overwogen dat de sliding een ernstige schending van de spelregels was en ook niet dat er sprake was van gevaarlijk handelen, anders dan gelet op de aard van het spel te verwachten was. Een zwaluw maakt nog geen zomer, en dat geldt ook voor rechterlijke uitspraken: een enkele uitspraak maakt nog niet dat daarmee een sliding (uiteindelijk) een strafrechtelijk delict wordt. Maar nog beter zou het zijn, als deze – zo op het oog niet erg genuanceerde – uitspraak van tafel gaat.

[1] Gerechtshof Den Haag, 21 juli 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2324

[2] Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 300 Sr, aant. 1

[3] Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 300 Sr, aant. 2

[4] Kelk en De Jong Studieboek materieel strafrecht 2013, p. 190.

Toon reacties

Reacties zijn gesloten.